contact

Vestiging Sneek

Worp Tjaardastraat 342
8602 XP Sneek
Telefoon: 0515 - 412870
LRK: 170370471
Contact

Vestiging Groningen

Adres: Boogschutter 88
9602 MG HOOGEZAND
Telefoon: 06-51848266
LRK: 106778857
contact

Vestiging Drenthe

Adres: Van Echtenstraat 96
7902 ER HOOGEVEEN
Telefoon: 06-47009585
LRK: 195998261
contact

Kinderopvangtoeslag

Meldcode Kindermishandeling


 

Deze meldcode voor de kinderopvang is gebaseerd op de basis meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, januari 2010 en ontwikkeld in opdracht van Brancheorganisatie Kinderopvang. In samenwerking met BOinK, Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang, MOgroep Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (Veilig Thuis) en Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland.

 

Inhoudsopgave

 

Een woord vooraf

Inleiding

Definities

 

I. Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling

  Stap 1: In kaart brengen van signalen

  Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van SHG, AMK(Veilig Thuis) of een deskundige op het gebied van letselduiding

  Stap 3: Gesprek met de ouder(en indien mogelijk met het kind)

  Stap 4: Weeg aard en ernst van het huiselijk geweld of kindermishandeling en bij twijfel altijd raadplegen van het SHG of AMK(Veilig Thuis)

  Stap 5: Beslissen: zelf hulp organiseren of melden


II. Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega jegens een kind

  Stap 1: Signaleren

  Stap 2: Direct melding doen van vermoeden van geweld- of zedendelict jegens een kind bij houder

  Stap 3: In overleg treden met vertrouwensinspecteur

  Stap 4: Handelen naar aanleiding van het onderzoek van de politie

  Stap 5: Nazorg bieden en evalueren


III. Route bij signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling

  Stap 1: In kaart brengen van signalen

  Stap 2: Melden van het gedrag

  Stap 3: Beoordelen ernst van het gedrag

  Stap 4: Maatregelen nemen

  Stap 5: Handelen

  Stap 6: Nazorg bieden en evalueren


IV. Verantwoordelijkheden in het scheppen van randvoorwaarden voor een veilig werk- en meldklimaat


V. Sociale kaart

 


 

Een woord vooraf

 

Graag bieden wij u hierbij de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling voor de branche kinderopvang aan. Deze code is gebaseerd op het basismodel meldcode Stappenplan voor het handelen bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling van het ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Brancheorganisatie Kinderopvang heeft er voor gekozen de basismeldcode aan te passen en specifiek te maken voor kinderopvangorganisaties. Op deze manier wordt het voor kinderopvangorganisaties makkelijker gemaakt om de meldcode te implementeren binnen de eigen organisatie. Deze meldcode is bedoeld voor iedereen die werkzaam is binnen onze branche. Bovendien heeft Brancheorganisatie naast de meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling in thuissituaties er voor gekozen om 2 extra routes te ontwikkelen. Deze 2 routes hebben betrekking op hoe gehandeld kan worden bij vermoedens van kindermishandeling door een beroepskracht en hoe gehandeld kan worden bij seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling. Jaarlijks zijn tienduizenden kinderen en volwassenen slachtoffer van mishandeling, verwaarlozing of misbruik. Onderzoek wijst uit dat professionals die met een meldcode werken 3 keer zo vaak ingrijpen als collega’s waar zo’n code niet voorhanden is. Dat alleen al maakt het werken met een meldcode dubbel en dwars waard. Ik beveel u bijgaande code dan ook van harte aan en hoop dat deze een bijdrage kan zijn aan het terugdringen van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Lex Staal
Directeur Brancheorganisatie Kinderopvang

 

Naar boven

 


 

 

Inleiding

 

In 2012 treedt de wijzigingswet Verplichte Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in werking. In het kader van kwaliteitszorg wordt de plicht opgelegd om een meldcode te hanteren voor huiselijk geweld en kindermishandeling, daaronder ook begrepen seksueel geweld, vrouwelijke genitale verminking (ook wel genoemd meisjesbesnijdenis) en eergerelateerd geweld. De verplichting geldt voor organisaties en zelfstandige beroepskrachten in de gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg. De Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor de branche kinderopvang is gebaseerd op het basismodel meldcode: Stappenplan voor het handelen bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Betreffend basismodel is ontwikkeld door het ministerie van VWS en bedoeld voor alle sectoren waar vanuit professioneel oogpunt met kinderen wordt gewerkt. Deze meldcode is speciaal toegeschreven naar de branche kinderopvang en is bedoeld voor iedereen die werkzaam is binnen deze branche. De meldcode geeft via een route aan hoe te handelen wanneer er signalen zijn die kunnen duiden op huiselijk geweld of kindermishandeling. Daarnaast bevat deze meldcode een route hoe te handelen bij vermoedens van kindermishandeling gepleegd door een beroepskracht en een route hoe te handelen wanneer er sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling. Elke stap binnen de routes wordt afzonderlijk uitgebreid toegelicht. Dit document bevat een overeenkomst die de kinderopvangorganisatie kan invullen waardoor de medewerkers van de organisatie zich binden om met de meldcode en de bijbehorende stappenplannen aan de slag te gaan. Ook is een document toegevoegd waarmee de kinderopvangorganisatie zich bindt ten aanzien van verantwoordelijkheden in het scheppen van randvoorwaarden voor een veilig werk- en meldklimaat. Daarnaast bevindt zich in dit document een sociale kaart die de kinderopvangorganisatie kan invullen. Aangeraden wordt om deze kaart in te vullen en op een voor iedereen binnen de kinderopvangorganisatie toegankelijke plaats neer te leggen. Bij deze meldcode is een toelichting ontwikkeld: Handleiding behorend bij Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze is bestemd voor alle beroepskrachten werkzaam in de branche kinderopvang. De handleiding geeft achtergrondinformatie en toelichtingen op elementen uit de meldcode. Voordat de meldcode wordt gebruikt is het verstandig eerst de handleiding te bestuderen.

 

Naar boven

 


 

Definities

  

  

Kinderopvang Verzamelnaam voor kinderdagopvang, buitenschoolse opvang, peuterspeelzaalwerk en gastouderopvang.

 

Kinderopvangorganisatie Waar in deze meldcode gesproken wordt over kinderopvangorganisatie, wordt bedoeld een organisatie waar minimaal één van de vier kinderopvangvormen wordt aangeboden.

 

Gastouderbureau Het bureau dat bemiddelt tussen gastouders en vraagouders.

 

Directie Daar waar directie staat, kan ook gelezen worden directeur, bestuur of stichtingbestuur.

 

Houder Degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum, gastouderbureau of een peuterspeelzaal exploiteert.

 

Leidinggevende De persoon binnen de kinderopvangorganisatie die leiding geeft aan een of meer beroepskrachten.

 

Beroepskracht De beroepskracht die binnen de kinderopvangorganisatie werkzaam is en die in dit verband aan kinderen zorg, begeleiding of een andere wijze van ondersteuning biedt. Hieronder vallen in ieder geval de pedagogisch medewerker, gastouder, peuterspeelzaalleidster, flexwerker, zelfstandige zonder personeel (zzp'er), gedragswetenschapper, leidinggevende, bemiddelingsmedewerker, directie.

 

Vrijwilliger Degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele basis werkzaam is in de kinderopvang en is belast met verzorging, opvoeding en bijdrage aan ontwikkeling van kinderen

 

Aandachtsfunctionaris De beroepskracht werkzaam binnen de kinderopvangorganisatie met specifieke deskundigheid op het terrein van kindermishandeling en huiselijk geweld. Daar waar aandachtsfunctionaris wordt geschreven kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bemiddelingswerker van het gastouderbureau, senior pedagogisch medewerker of leidinggevende.

 

Ouders / verzorgers De volwassenen of volwassene die verantwoordelijk zijn / is voor de zorg en opvoeding van het kind; ouder(s), verzorger(s), voogd. Daar waar ouders geschreven wordt, wordt ook verzorgers of ouder / verzorger bedoeld.

 

Vraagouder De ouder die zijn kind naar de gastouderopvang brengt.

 

Gastouder De beroepskracht die in zijn/haar eigen woning gastkinderen opvangt in dienst van de vraagouder dan wel de beroepskracht die bij de vraagouders thuis kinderen opvangt.

 

SHG Steunpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling


AMK  Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (Veilig Thuis)

 

Vertrouwensinspecteur Een vertrouwensinspecteur is werkzaam bij de Inspectie van het Onderwijs. De vertrouwensinspecteur heeft geheimhoudingsplicht en is bij wet uitgezonderd van het doen van aangifte. Voor de kinderopvang is de vertrouwensinspecteur als deskundige aangewezen door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Een houder van een kinderopvangorganisatie is verplicht om bij een vermoeden van een zeden- of geweldsdelict door een werknemer (met taken belast persoon) de vertrouwensinspecteur te raadplegen


(Zeden) politie De enige plek waar aangifte kan worden gedaan van een geweld- of zedenmisdrijf. Politie onderzoekt een vermoeden en doet aan waarheidsvinding.

 

Volwassen huisgenoot De volwassen huisgeno(o)t(en) van de gastouder die mogelijk in contact kom(t)(en) met de kinderen die worden opgevangen in het huis van de gastouder.

 

Bemiddelingsmedewerker De beroepskracht werkzaam bij een gastouderbureau en die in dit verband bij gastouders en vraagouders bemiddelt en begeleidt.

 

Hij Waar gesproken wordt over hij kan zowel hij als zij van toepassing zijn.

 

Naar boven

 


 

 

I. Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling

Stap 1: In kaart brengen van signalen.

De beroepskracht:

  • observeert kinderen en ouders;
  • raadpleegt signalenlijst (bijlage 1 en 2);
  • bespreekt signalen met aandachtsfunctionaris;
  • deelt de zorg met ouders;
  • registreert.

 

Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen SHG, AMK(Veilig Thuis) of een deskundige op het gebied van letselduiding.

De aandachtsfunctionaris:

  • consulteert:
  • interne en externe collega’s;
  • het SHG, Advies- en Meldpunt Kindermishandeling of een deskundige;
  • eventueel andere organisaties.
  • bespreekt uitkomsten consultaties met ouders;
  • registreert.

 

Stap 3: Gesprek voeren met de ouder (en indien mogelijk met het kind)

De aandachtsfunctionaris:

  • deelt de zorg met ouders;
  • bespreekt indien mogelijk met het kind;
  • registreert.

 

Stap 4: Wegen aard en ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling en bij twijfel altijd raadplegen van SHG of AMK(Veilig Thuis)

De aandachtsfunctionaris:

  • weegt het risico, de aard en ernst;
  • vraagt bij twijfel altijd SHG of AMK(Veilig Thuis) hierover een advies te geven;
  • registreert.

 

Stap 5a: Hulp organiseren en effecten volgen

De aandachtsfunctionaris:

  • bespreekt de zorgen met ouders;
  • organiseert hulp door ouders en kind door te verwijzen;
  • monitort of ouder en kind hulp krijgen;
  • volgt het kind;
  • registreert.

 

Stap 5b: Melden en bespreken met ouders De aandachtsfunctionaris:

  • meldt het vermoeden bij het AMK(Veilig Thuis); -sluit bij de melding aan bij feiten en gebeurtenissen;
  • overlegt met AMK(Veilig Thuis) over acties na de melding; -monitort of ouder en kind hulp krijgen;
  • volgt het kind; -registreert.

 

 

Naar boven

 

 

 

 


Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling

 

 

Stap 1: In kaart brengen van signalen

 

De beroepskracht brengt de signalen die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling bevestigen of juist ontkrachten in kaart en legt deze vast. De beroepskracht legt ook de contacten over de signalen vast, evenals de stappen die worden gezet en de besluiten die worden genomen.

Bij vroegsignalering worden signalen gezien die duiden op een zorgelijke of mogelijk bedreigde ontwikkeling. Zelden zullen deze signalen direct duidelijkheid geven over de oorzaak zoals huiselijk geweld of kindermishandeling. Het is daarom verstandig uit te gaan van de signalen die de beroepskracht bij het kind of in de interactie tussen ouder en kind waarneemt. Bij het signaleren van huiselijk geweld of kindermishandeling kan gebruik gemaakt worden van de signalenlijsten (bijlage 1 en 2) en de observatielijst (bijlage 4) uit de handleiding.


Het is gebruikelijk om in deze fase in gesprek te gaan met de ouder tijdens haal- en brengmomenten, tijdens een tien-minutengesprek of op een ander gepland moment. Hierbij gaat het vooral om het benoemen van feitelijkheden en zaken die opvallen. Daarnaast kan het kind in de groep geobserveerd worden en de ouder met het kind tijdens contactmomenten.

 

Alle signalen dienen te worden verzameld waardoor het duidelijker wordt welke zorgen er zijn en of deze zorgen gegrond zijn. De beroepskracht vraagt de aandachtsfunctionaris om te
helpen bij het onderbouwen van de signalen. Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd. Gespreksverslagen kunnen door betrokkenen worden ondertekend. Er kan hiervoor een kinddossier aangelegd worden, dat in een gesloten kast (met slot) of digitaal (met wachtwoord) wordt bewaard. Dit vanwege de privacygevoelige gegevens die worden verzameld. In hoofdstuk 8.5 uit de handleiding worden handvatten gegeven hoe een

kinddossier kan worden opgesteld.



Naar boven

 

 

 

Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van SHG, AMK(Veilig Thuis) of een deskundige op het gebied van letselduiding

 

De beroepskracht bespreekt de signalen met de aandachtsfunctionaris. Het wordt aanbevolen om advies aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling te vragen. Dit is een taak voor de aandachtsfunctionaris. Consultatie is - afhankelijk van de interne afspraken van de kinderopvangorganisatie - mogelijk met de volgende interne collega’s: de leidinggevende, de bemiddelingswerker (van het gastouderbureau), de gedragswetenschapper, de aandachtsfunctionaris of een collega uit dezelfde groep. Extern is consult mogelijk met de jeugdverpleegkundige of jeugdarts van het consultatiebureau of de GGD. Indien de kinderopvangorganisatie deelneemt aan het zorgadviesteam (ZAT) is het ook mogelijk om het kind binnen dit team te bespreken. Tevens kan gebruik worden gemaakt van samenwerking met het Centrum voor Jeugd en Gezin.

 

Consult bij SHG, AMK (Veilig Thuis) of deskundige op het gebied van letselduiding

Indien de aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker ook maar enige twijfel heeft over de oorzaak van de situatie en/of eventuele mogelijke onveiligheid bij het kind, kan advies worden gevraagd bij het AMK(Veilig Thuis). Het AMK(Veilig Thuis) kan een eerste weging maken of het terecht is dat er zorgen zijn over deze situatie en of er mogelijk sprake kan zijn van kindermishandeling of huiselijk geweld. Zorgvuldig handelen vereist dat de aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker bij elk vermoeden nagaat of hij advies vraagt bij het AMK(Veilig Thuis).

 

Consult bij zorgadviesteam

Voor het bespreken in het zorgadviesteam wordt een intakegesprek met de ouders en/of aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker door het maatschappelijk werk of een ander lid van het zorgadviesteam gevoerd. Door de ouder continu te betrekken en in overleg te treden, is de kans groter dat de ouder gemotiveerd is om de situatie te verbeteren en/of hulp te aanvaarden.

 

Om het kind ‘open’ (niet anoniem) te bespreken in het zorgadviesteam en met andere externe deskundigen is schriftelijke toestemming van de ouder vereist. Indien de aandachtsfunctionaris in het contact transparant en integer is, is de kans groot dat over deze zaken een open gesprek mogelijk is. In de meeste gevallen wordt toestemming door de ouder gegeven. Gespreksvaardigheid om in gesprek te gaan over zorgen en het vragen om toestemming van de ouder is een specifieke deskundigheid en kan door middel van scholing worden aangeleerd. Ook kan de aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker advies krijgen van het AMK (Veilig Thuis)of het zorgadviesteam over het in gesprek gaan met de ouder. Indien de ouder weigert, is dit een zorgelijk signaal en moet het worden meegenomen in de weging (stap 4). Het kind kan overigens anoniem worden besproken wanneer de ouder geen toestemming heeft gegeven, maar dit verdient niet de voorkeur vanwege de eventuele vervolgacties. Meer informatie over samenwerking met andere organisaties is te vinden in hoofdstuk 7 van de handleiding.

 

Vanaf stap 2 is het raadzaam registratie in de Verwijsindex Risicojongeren te overwegen indien de kinderopvangorganisatie op dit systeem is aangesloten. Meer informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 1.4 van de handleiding.

 

Noodsituaties

Bij signalen die wijzen op acuut en zodanig ernstig geweld dat het kind of een gezinslid onmiddellijk moet worden beschermd, kan meteen contact worden opgenomen met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling . Het AMK(Veilig Thuis) maakt dan een inschatting van de ernst van de situatie. Voor noodsituaties is het AMK(Veilig Thuis) 24 uur per dag bereikbaar. In zeer ernstig dreigende situaties kan het AMK(Veilig Thuis) een melding overdragen aan de Raad voor de Kinderbescherming. Bijvoorbeeld als een kind met verwondingen naar het ziekenhuis moet en de ouders willen het niet meegeven of weghalen uit het ziekenhuis. In een dergelijke situatie kan er heel snel een voorlopige ondertoezichtstelling worden gevraagd zodat de ouders (tijdelijk) het gezag niet hebben over hun kind. In noodsituaties kan overigens ook contact gezocht worden met de crisisdienst van Bureau Jeugdzorg en/of de politie gevraagd worden om hulp te bieden. In de handleiding bevindt zich een algemeen overzicht van websites en adressen (zie bijlage 5) van instanties en organisaties waar de beroepskracht terecht kan voor ondersteuning en advies. In deze meldcode is een sociale kaart opgenomen die de kinderopvangorganisatie kan invullen met gegevens uit de eigen regio (zie onderdeel V).

 

Naar boven

 

Stap 3: Gesprek met de ouder (en indien mogelijk met het kind)

De aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker bespreekt de signalen met de ouders. De kinderopvangorganisatie kan er echter ook voor kiezen dat het gesprek door de beroepskracht wordt gevoerd, eventueel samen met aandachtsfunctionaris of leidinggevende. In die gevallen wordt het gesprek altijd voorbereid met de aandachtsfunctionaris. Ook kan tijdens de voorbereiding ondersteuning worden gevraagd aan het SHG of AMK.

 

Voor het gesprek met de ouders kunnen de volgende stappen worden gevolgd:

 

1. Leg de ouders (en eventueelhet kind) het doel uit van het gesprek;

2. Beschrijf de feiten die zijn vastgesteld en de waarnemingen die zijn gedaan, geef daarbij geen waardeoordeel of eigen interpretatie;

3. Nodig de ouders uit om een reactie hierop te geven;

4. Kom pas na deze reactie zo nodig en zo mogelijk met een interpretatie van hetgeen er is gezien, gehoord en/of waargenomen;

5. Leg het gesprek vast en laat het indien mogelijk ondertekenen door alle betrokkenen.

 

In de meeste gevallen is het onduidelijk wat de oorzaken zijn van de signalen. Door ouders te informeren en informatie uit te wisselen over de ontwikkeling van hun kind, kunnen zorgen verduidelijkt, ontkracht of bekrachtigd worden. Nodig de ouders expliciet uit tot het geven van hun mening en vraag door over kindgerelateerde onderwerpen in de thuissituatie. Herkent de ouder de situatie? Hoe gedraagt het kind zich thuis? Hoe reageren de ouders daarop? Hoe gaat het opvoeden thuis? Hoe reageert het kind hierop? Hoe is de ontwikkeling van het kind tot nu toe verlopen? Wat vinden de ouders daarvan? Hoe ervaren de ouders de opvoeding en hun rol als ouders? Indien de ouders de zorgen herkennen, kan een begin worden gemaakt met het onderzoeken van kansen en oplossingen. Ouders moeten vaak eerst gemotiveerd worden zodat de zorgen over hun kind gedeeld kunnen worden. Het helpt dan om ouders meer informatie te geven over de ontwikkeling van het kind en de effecten voor het kind in de huidige situatie. Pas als ouders niet te motiveren zijn en de zorgen blijven ontkennen is het raadzaam het AMK(Veilig Thuis) om advies te vragen en een melding te overwegen.

 

Indien besloten wordt om ook met het kind zelf te spreken, is het van belang dat het kind zich veilig genoeg voelt om het gesprek te voeren. Maak hierbij de afweging of het in het belang van het kind zelf is om dit gesprek te voeren. Hierover kan ook advies worden gevraagd aan het SHG of AMK(Veilig Thuis). Beloof tijdens een dergelijk gesprek nooit geheimhouding, maar geef wel aan dat de signalen serieus afgewogen zullen worden. Belangrijk is ook dat het kind niet wordt ondervraagd, maar dat het kind met name de ruimte wordt gegeven om zijn verhaal te vertellen. Zie ook de tips voor gesprekken met kinderen in hoofdstuk 6.1 van de handleiding.

Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd.

 

Naar boven

 

Stap 4: Weeg aard en ernst van het huiselijk geweld of kindermishandeling en bij twijfel altijd raadplegen van het SHG of AMK(Veilig Thuis)

 

De aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerk(st)er weegt op basis van de signalen, van het (extern) ingewonnen advies en van het gesprek met de ouders het risico op huiselijk geweld of kindermishandeling. Daarnaast wordt de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling gewogen. Ook moet er altijd overwogen worden of er naar de politie moet worden gegaan. Tenslotte zijn kindermishandeling en huiselijk geweld strafbare feiten.

 

Voor de weging is het van belang dat de aandachtsfunctionaris in het dossier de signalen, de gesprekken en de stappen beschrijft en vastlegt die al gezet zijn.

Daarnaast zijn voor de weging de volgende factoren van belang:

-de leeftijd van het slachtoffer;

-de aard van het geweld;

-de mate van afhankelijkheid;

-de duur van het geweld;

-de verwachting over de schade die wordt aangericht;

-de mate van isolement waarin het geweld zich afspeelt.

Een weging is altijd persoonlijk, er zijn geen vaste richtlijnen voor. Omdat elke situatie uniek is, is hier geen standaard voor. Het wordt aanbevolen het AMK(Veilig Thuis) in te schakelen om te helpen bij deze weging. Het AMK(Veilig Thuis) kan helpen een risicotaxatie uit te voeren. Als het om eergerelateerd geweld gaat, kan het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) van de politie dit op zich nemen. In bijlage 5 van de handleiding staat een algemeen overzicht van websites en adressen van instanties en organisaties waar de beroepskracht terecht kan voor ondersteuning en advies. De kinderopvangorganisatie dient zelf de sociale kaart uit deze meldcode aan te passen en in te vullen met de instanties en organisaties die werkzaam zijn binnen betreffende regio (zie onderdeel V).

 

Naar boven

 

Stap 5: Beslissen: zelf hulp organiseren of melden

Stap 5a: Hulp organiseren en effecten volgen

 

Als op basis van de afweging in stap 4 genoeg gronden zijn dat het kind en zijn gezin redelijkerwijs voldoende tegen het risico op huiselijk geweld of op kindermishandeling beschermd kunnen worden:

  • bespreek met de ouders;
  • organiseer dan de noodzakelijke hulp;
  • volg de effecten van deze hulp en
  • doe alsnog een melding als er signalen zijn dat het huiselijk geweld of de kindermishandeling niet stopt, of opnieuw begint.

 

Dit is de verantwoordelijkheid van de aandachtsfunctionaris al dan niet in overleg met de leidinggevende en/of directie.

 

Als de kinderopvangorganisatie gebruik heeft gemaakt van het zorgadviesteam, kan het zorgadviesteam verdere actie coördineren. Het zorgadviesteam bespreekt de hulpvraag van kinderopvangorganisatie en ouders, beoordeelt de hulpvraag, stelt een aanpak vast, geeft handelingsadviezen voor de beroepskracht en adviseert over verdere hulp. Ook het CJG kan worden geraadpleegd en hierin adviseren.

 

De aandachtsfunctionaris binnen de kinderopvangorganisatie bespreekt met de ouders de uitkomst van de bespreking met het CJG of zorgadviesteam. Met de ouders kan gesproken worden over verder te nemen stappen voor hulpverlening voor het kind en/of de ouders. Hierbij is het belangrijk om informatie te geven over de hulpverlenende instanties en of er hiervoor een indicatie nodig is van bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg. De ouders kunnen op deze manier worden doorverwezen. Belangrijk is om bij de ouders en de instantie te informeren of zij ook daadwerkelijk naar de verwijzende instantie zijn gegaan. Leg de gesprekken vast en laat indien mogelijk ouders het gespreksverslag ondertekenen.

 

Indien er voor een van voorgaande stappen ondersteuning nodig is, dan kan dit gevraagd worden bij het AMK(Veilig Thuis), CJG of zorgadviesteam. De kinderopvangorganisatie kan in het eigen team afspraken maken over de begeleidings- en zorgbehoeften van het kind. De uitkomst van deze teambespreking wordt vastgelegd en met de ouders besproken.

 

Stap 5b: Melden en bespreken met ouders

 

Kan het kind of kunnen de ouders niet voldoende tegen het risico op huiselijk geweld of kindermishandeling beschermd worden, of is er twijfel of de kinderopvangorganisatie hiertegen voldoende bescherming kan bieden:

  • meld het vermoeden bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en;
  • sluit bij de melding zoveel mogelijk aan bij feiten en gebeurtenissen en geef duidelijk aan indien de informatie die gemeld wordt (ook) van anderen afkomstig is;
  • overleg bij de melding met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling wat er na de melding, binnen de grenzen van de gebruikelijke werkzaamheden, gedaan kan worden om het kind, de ouders en mogelijke gezinsleden tegen het risico op huiselijk geweld of op mishandeling te beschermen.

 

Dit is de verantwoordelijkheid van de aandachtsfunctionaris al dan niet in overleg met de leidinggevende en/of directie.

 

Bespreek de melding vooraf met de ouders. Leg uit waarom de kinderopvangorganisatie van plan is deze melding te gaan doen en wat het doel daarvan is. Blijf in het gesprek bij de feiten en constateringen en voorkom interpretaties of waardeoordelen.

1. Vraag de ouders uitdrukkelijk om een reactie;

2. In geval van bezwaren van de ouders, overleg op welke wijze er tegemoet kan worden gekomen aan deze bezwaren en leg dit in het document vast;

3. Is dat niet mogelijk, weeg de bezwaren dan af tegen de noodzaak om het kind, de ouders en/of mogelijke gezinsleden te beschermen tegen het geweld of de kindermishandeling. Betrek in alle afwegingen de aard en de ernst van het geweld en de noodzaak om het kind, de ouders en/of mogelijke gezinsleden door het doen van een melding daartegen te beschermen;

4. Doe een melding indien naar het oordeel van de kinderopvangorganisatie de bescherming van de ouder of zijn gezinslid de doorslag moet geven.

 

Van contacten met de ouders over de melding kan worden afgezien:

  • als de veiligheid van het kind, één van de ouders, die van de beroepskracht zelf, en/of die van een ander in het geding is; of
  • als er goede redenen zijn om te veronderstellen dat de ouders daardoor het contact met de kinderopvangorganisatie zal verbreken.

 

Indien na enige periode onvoldoende verbetering zichtbaar is, is het van belang opnieuw contact op te nemen met het AMK(Veilig Thuis) en eventueel opnieuw een melding te doen. Het AMK(Veilig Thuis) adviseert, indien nodig, meerdere keren contact op te nemen indien er onvoldoende verbetering of verslechtering te zien is.

 

Inspanningen na de melding
Een melding is geen eindpunt. Als de kinderopvangorganisatie een melding doet, geeft het stappenplan daarom aan dat de aandachtsfunctionaris in zijn contact met het AMK(Veilig Thuis) ook bespreekt wat hij zelf, na zijn melding, binnen de grenzen van zijn gebruikelijke taakuitoefening kan doen om het kind of zijn gezinsleden te beschermen en te ondersteunen. Dit is uitdrukkelijk in stap 5 bij de melding opgenomen om duidelijk te maken dat de betrokkenheid van de beroepskracht bij het kind en ouders en mogelijke gezinsleden na de melding niet ophoudt. Van hem wordt verwacht dat hij, naar de mate van zijn mogelijkheden, het kind blijft ondersteunen en beschermen. Uiteraard gebeurt dit in overleg met het AMK(Veilig Thuis) om zo tot een gemeenschappelijke aanpak te komen. Het AMK(Veilig Thuis) houdt degene die de melding heeft gedaan op de hoogte van de uitkomsten van het onderzoek en van de acties die in gang worden gezet.

 

Wanneer er sprake is van (een vermoeden van) kindermishandeling in de thuissituatie van één van de kinderen van de kinderopvangorganisatie kan dit ook impact hebben op de (andere) beroepskrachten en andere kinderen. Het is belangrijk dat de betreffende kinderopvangorganisatie hier aandacht aan besteedt, bijvoorbeeld in teamoverleggen of tijdens intervisie.

 

Interne evaluatie

Het is belangrijk dat de toepassing van de meldcode systematisch geëvalueerd wordt. Dit kan de aandachtsfunctionaris, leidinggevende en/of directie op zich nemen. Aangeraden wordt dat de uitvoering van de evaluatie door een ander wordt gedaan dan degene die actief binnen het proces zelf is geweest. Zo nodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.

 

Geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard. De gegevens worden geregistreerd en bewaard om bijvoorbeeld in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele kinderopvangorganisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan.

 

Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd

 

Naar boven


 

II. Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega jegens een kind

 

Stap 1A: Signaleren
De beroepskracht of bemiddelingsmedewerk(st)er:

  • observeert;
  • raadpleegt signalenlijst (bijlage 1, 2 en 3 uit de handleiding);
  • registreert.

 

Stap 1B: Direct Melding doen van vermoeden geweld- of zedendelict door een collega jegens een kind bij houder
De beroepskracht of bemiddelingsmedewerker:

  • is verplicht het vermoeden van een geweld- of  zedendelict  door een collega jegens een kind direct bij de houder te  melden.

 

Stap 2: In overleg treden met vertrouwensinspecteur
De houder:

  • Moet direct contact leggen met een vertrouwensinspecteur (overlegplicht) indien hij aanwijzingen heeft dat een collega een geweld- of zedendelict begaat of heeft begaan jegens een kind;
  • Krijgt advies van de vertrouwensinspecteur over al dan niet doen van aangifte;
  • registreert.

 

Stap 3: Aangifte doen
De houder:

  • Is verplicht bij redelijk vermoeden aangifte te doen bij de politie (aangifteplicht);
  • Stelt de beroepskracht in ieder geval voor de duur van het onderzoek op non-actief
  • legt een draaiboek aan;
  • raadpleegt het AMK(Veilig Thuis) en /of GGD;
  • regelt ondersteuning van kind en ouders;
  • volgt het ingestelde onderzoek van de politie;
  • registreert.

 

Stap 4: Handelen naar aanleiding van onderzoek van de
politie
De houder of directie:

  • rehabiliteert;
  • geeft waarschuwing af;
  • neemt arbeidsrechtelijke maatregelen4;
  • registreert.


Stap 5: Nazorg bieden en evalueren
De houder, directie of leidinggevende:

  • biedt nazorg voor ouders en kinderen;
  • biedt nazorg beroepskrachten;
  • organiseert ouderavonden;
  • verwijst door naar externe hulp;
  • evalueert de procedures;
  • registreer

 

 

 

Naar boven

 

 

Algemene toelichting

De meldplicht betekent dat een houder wettelijk verplicht is om contact op te nemen met
een vertrouwensinspecteur als op welke wijze dan ook over aanwijzingen beschikt wordt dat
een collega een geweld- of zedendelict begaat of heeft begaan en een kind is hiervan het
slachtoffer. De meldplicht geldt ook voor werknemers. Werknemers zijn verplicht om bij een
reëel vermoeden dat een collega zich schuldig maakt aan een mogelijk geweld- of zedendelict
jegens een kind dit meteen te melden bij hun werkgever.

 

Het is aan de houder (= het bevoegd gezag binnen de kinderopvangorganisatie) om te regelen
of de houder zelf in contact treedt met de vertrouwensinspecteur of dat een leidinggevende
(bijvoorbeeld een locatiemanager of directeur) dat namens hem doet. Daar waar in dat geval
houder in deze route staat, kan ook de gedelegeerde persoon staan.

 

Melding door een medewerker over de houder zelf
Indien de medewerker aanwijzingen heeft dat de houder zelf een geweld- of zedendelict
begaat (of heeft begaan) en een kind hiervan het slachtoffer is dan is de medewerker
verplicht tot het doen van aangifte bij de politie.
Hij/zij kan hierover in overleg treden met de vertrouwensinspecteur. De
vertrouwensinspecteur kan de medewerker begeleiden bij het doen van aangifte.

 

Melding door een ouder over een medewerker of leidinggevende
Indien een ouder aanwijzingen heeft dat een medewerker of leidinggevende zelf een geweldof
zedendelict begaat (of heeft begaan) en een kind hiervan het slachtoffer is dan kan de
ouder contact opnemen met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs.
Hiernaast heeft de ouder de (reguliere) rechtsplicht om bij een redelijk vermoeden van een
strafbaar feit aangifte te doen bij de politie.
De vertrouwensinspecteur zal de ouder adviseren om contact op te nemen met een
leidinggevende van de kinderopvanginstelling. Betreft het de leidinggevende dan is het
advies om contact op te nemen met de houder.
Er ontstaat bij de leidinggevende van de kinderopvanginstelling een plicht om de houder op
de hoogte te stellen van dit signaal. (zie verder onder het kopje aangifteplicht voor houder)

 

Melding door een ouder over een gastouder / volwassen huisgenoot
De situatie binnen de gastouderopvang wijkt af van de situatie in een kindercentrum,
aangezien de gastouder alleen werkt, er in de meeste gevallen geen arbeidsrelatie is met het
gastouderbureau en regelmatig een volwassen huisgenoot aanwezig is in de woning waar de
kinderen worden opgevangen. Hoewel de bemiddelingsmedewerker de gastouder begeleidt,
komt deze tussen de twee en vier maal in de opvangsetting van de gastouder en is de kans
op signalering door bemiddelingsmedewerker gering. De melding van een vermoeden van
een mogelijk geweld- of zedenmisdrijf zal daarom in de praktijk vooral gedaan worden door
de ouder. Zie verder de bijbehorende handleiding, paragraaf 1.3.

 

 

Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega jegens een kind

 

 

Stap 1A: Signaleren

 

De beroepskracht heeft een vermoeden of een signaal opgevangen of een ander laat doorschemeren dat er iets niet goed zit in de relatie tussen het kind en een beroepskracht / volwassen huisgenoot van de gastouder.

 

Niet in alle gevallen waarin beroepskrachten menen dat er niet goed met kinderen wordt omgegaan door een collega, is er sprake van kindermishandeling. Desondanks mag niet aan deze signalen voorbij worden gegaan en zal met elkaar onderzocht moeten worden wat er bij het kind wordt gesignaleerd. Door met elkaar te overleggen en van gedachten te wisselen kan het signaal pas goed geïnterpreteerd worden.

 

Vermoedens zijn er in uiteenlopende gradaties. Als de beroepskracht zich met een dergelijk vermoeden (over een collega) geconfronteerd ziet, kunnen de volgende acties ondernomen worden:

 

  • Raadpleeg de signalenlijsten in bijlage 1, 2 en 3 uit de handleiding;
  • Ga in gesprek met een vertrouwenspersoon binnen de locatie;
  • Vraag een gesprek aan met leidinggevende of directie.

 

Van belang is om betreffende signalen goed te registreren en te beschrijven wat vervolgens gedaan is met deze signalen. Tips over het registreren zijn te vinden in hoofdstuk 8.5 van de handleiding.

Als de beroepskracht vervolgens concludeert dat er sprake is van terechte bezorgdheid, dan is het raadzaam tot melding in de lijn van de kinderopvangorganisatie over te gaan.

 

Naar boven

 

Stap 1B: Direct melding doen van vermoeden van geweld- of zedendelict jegens een kind bij houder
Wanneer een beroepskracht of bemiddelingsmedewerker vermoedt dat een collega
binnen de kinderopvangorganisatie zich schuldig maakt aan kindermishandeling moet
de beroepskracht of bemiddelingsmedewerker dit direct melden bij de houder.

 

In het stappenplan wordt er van uitgegaan dat een beroepskracht of een
bemiddelingsmedewerker een mogelijk vermoeden van kindermishandeling door een collega
direct meldt bij de houder. In de praktijk kunnen ook de volgende personen deze melding
van vermoeden van kindermishandeling door een collega doen:

 

a. Melding door het kind
Als de melding van een geweld- of zedendelict afkomstig is van een kind, is opvang en steun voor het kind het eerste aandachtspunt. De beroepskracht bij wie het slachtoffer de klacht meldt, is verplicht dit meteen te melden bij de houder. Deze laat weten discreet te zullen handelen, maar belooft geen geheimhouding aan het kind. De houder treedt direct (onverwijld) in contact met een vertrouwensinspecteur (zie stap 2 van deze route) Naast het AMK(Veilig Thuis) worden zo nodig anderen ingeschakeld voor hulp. De ouders van het betrokken kind worden geïnformeerd. Aan de ouders wordt eveneens opvang en steun geboden. Het waarborgen van het gevoel van veiligheid van het kind is uitgangspunt van dit handelen.

 

b. Melding door de ouder
Als de melding van de ouders komt, zal deze melding altijd serieus genomen worden. Feiten en constateringen zullen bij ouders nagevraagd worden.De beroepskracht geeft de melding direct (onverwijld) door aan de houder. De houder treedt direct in overleg met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs (stap 2 van deze route). De ouder kan bij een redelijk vermoeden ook zelf contact opnemen met een vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs.

 

c. Melding door derden
Als de melding van derden komt, dient uitgezocht te worden over welke informatie deze persoon/ personen precies beschikt/beschikken en waar deze informatie op is gebaseerd. De beroepskracht geeft de melding onverwijld door aan de houder. De houder is verplicht om in overleg te treden met een vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs (zie stap 2 van deze route)

 

Melding over leidinggevende
Wanneer de melding van toepassing is op de leidinggevende dient door de constaterende beroepskracht direct de houder te worden ingeschakeld.

 

Melding over de directie
Een bijzondere situatie betreft het geval dat de klacht het gedrag van de directie zelf betreft. Het gaat hierbij immers om de situatie waarin het niet meer mogelijk is om hogerop melding
te doen. In dat geval is de constaterende beroepskracht verplicht om aangifte te doen bijde politie. De beroepskracht kan hierover in overleg treden met de vertrouwensinspecteur. De
vertrouwensinspecteur kan de beroepskracht vervolgens begeleiden bij het doen van aangifte.

 

Deze stap dient zorgvuldig geregistreerd te worden.

 

Stap 2: Melding doen van vermoeden van kindermishandeling door een beroepskracht binnen de kinderopvangorganisatie

De houder is verplicht om direct in overleg te treden met een vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs.

De vertrouwensinspecteur gaat samen met de houder na of er een redelijk vermoeden bestaat en adviseert de houder over aangifte. Wanneer er geen sprake is van een redelijk vermoeden, is nader onderzoek redelijkerwijs niet aan de orde. De houder zal in gesprek gaan met betrokkenen om de mogelijk verstoorde werkhouding te herstellen. Indien de uitkomst is dat er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een gewelds- of zedendelict dan heeft de houder een aangifteplicht. De kinderen worden dan direct afgeschermd van de betrokken beroepskracht door deze op non-actief te stellen of te schorsen. De houder deelt dit mee aan alle betrokkenen. Zie hiervoor ook de volgende stap in deze route.

De houder is verantwoordelijk voor de registratie in deze stap.


Aangifteplicht voor houder


Indien de houder aangifte doet, treedt de vertrouwensinspecteur terug.
Indien de houder weigert om aangifte te doen terwijl de vertrouwensinspecteur concludeert
dat er een redelijk vermoeden bestaat, geldt de volgende escalatieladder:
1.    Coördinator vertrouwensinspecteurs van de Inspectie van het Onderwijs probeert de
       houder te overreden;
2.    Hoofdinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs probeert de houder te
       overreden;
3.    Hoofdinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs legt contact met de
       burgemeester (het college van B&W) van de betreffende gemeente;
4.    De burgemeester zal de (zeden) politie inschakelen dan wel andere activiteiten vanuit
       zijn bevoegdheden initiëren.


NB Het is aan de houder om te regelen of de houder zelf meteen in contact treedt met de
vertrouwensinspecteur of dat een leidinggevende of locatiemanager dat namens de houder
doet.

 

 

Naar boven

 

Stap 3: Aangifte doen

 

Indien na het overleg met de vertrouwensinspecteur blijkt dat er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een geweld- of zedendelict, dan heeft de houder een meldplicht.


Als deze stap wordt gezet, is er vanzelfsprekend nog steeds geen sprake van ‘schuld’ van de beroepskracht over wie het vermoeden is geuit: ‘beschuldigd’ staat niet gelijk aan schuldig.
In geval van een reëel vermoeden neemt de houder, naast het doen van aangifte, de volgende maatregelen:
a. Stelt de beroepskracht in ieder geval voor de duur van het onderzoek op non-actief 5
b. Het aanleggen van een draaiboek;
c. Raadplegen AMK(Veilig Thuis) en/of lokale GGD;
d. Het regelen van opvang van kind(eren) en ouders.


a. Stelt de beroepskracht in ieder geval voor de duur van het onderzoek op non-actief
In geval van een reëel vermoeden van een mogelijk geweld- of zedenmisdrijf, wordt de betreffende betrokken persoon in ieder geval voor de duur van het onderzoek op non-actief
gesteld. In het geval dat het een gastouder betreft, is meestal geen sprake van een arbeidsrelatie tussen gastouder en gastouderbureau. De houder dient, omdat het een vermoeden betreft, maatregelen te treffen die er voor zorgen dat de betreffende gastouder gedurende het
onderzoek geen kinderen opvangt. Daarnaast dienen de maatregelen zodanig te zijn dat een gastouder eveneens gerehabiliteerd kan worden indien uit het onderzoek van de politie blijkt dat de vermoedens niet juist zijn. Ook is het van belang mee te nemen dat een gastouder bij
meerdere gastouderbureaus kan zijn ingeschreven.
Bovenstaand geldt ook voor een vrijwilliger binnen de kinderopvangvoorziening
(peuterspeelzaal).

a.b. Draaiboek aanleggen
De houder, of degene die in opdracht van de houder met deze taak belast is, draagt zorg voor een zorgvuldige procedure en legt een draaiboek aan. In de handleiding staan handvatten voor het aanleggen van een draaiboek (hoofdstuk 8.5).

c. Raadplegen AMK(Veilig Thuis) en/of GGD
Het AMK(Veilig Thuis) kan de kinderopvangorganisatie adviseren en ondersteuning bieden. Ook de
GGD kan worden geraadpleegd. Voor adressen van de lokale GGD zie de sociale kaart in
deze meldcode (onderdeel V).

d. Het regelen van opvang voor kind(eren) en ouders
Þ Voor de ondersteuning voor het kind en de ouders kan een beroep worden gedaan op een instelling als de GGD of het AMK. (Het calamiteitenteam van) GGD is gespecialiseerd in het

   begeleiden van organisaties bij calamiteiten. In overleg met  ouders en GGD en/of AMK, wordt bezien of de opvang in de kinderopvangorganisatie
   kan worden gecontinueerd dan wel dat er een andere oplossing moet worden geboden.
Þ De kinderopvangorganisatie informeert ouders over de mogelijkheid aangifte te doen bij de politie.
Þ De houder of directie houdt contact, toont betrokkenheid en informeert de ouders regelmatig over de voortgang van het onderzoek en andere zaken die voor de ouders van belang zijn.
Þ De ouders van de overige kinderen moeten geïnformeerd worden. Er kan gekozen worden om kinderen elders onder te brengen. Het AMK kan worden ingeschakeld voor advies hoe 

   bijvoorbeeld te handelen met de eigen kinderen van de beroepskracht.
   Na het doen van aangifte stelt de politie in de regel een onderzoek in. De politie voert gesprekken met alle betrokkenen. Het initiatief voor het instellen van een onderzoek ligt  bij de politie.

   De houder en directie dienen het onderzoek van de politie te volgen en zelf geen stappen te ondernemen die indruisen tegen de bewijslast van de politie.

 

 

Naar boven

 

Stap 4: Maatregelen nemen

 

Voor de directie geldt dat bij enige twijfel over vermoedens van kindermishandeling door een beroepskracht besloten wordt tot het doen uitvoeren van passende maatregelen. Als deze stap wordt gezet, is er op zichzelf evenwel nog steeds geen sprake van ‘schuld’ van de beroepskracht over wie het vermoeden is geuit: ‘beschuldigd’ staat niet gelijk aan schuldig. In geval van een reëel vermoeden neemt de directie de volgende maatregelen:

 

a. Het aanleggen van een draaiboek;

b. Raadplegen AMK(Veilig Thuis) en/of GGD;

c. Het regelen van opvang van kind en ouders;

d. Raadplegen politie;

e. Instellen onderzoek.

 

a. Draaiboek aanleggen

De directie, of degene die in opdracht van de directie met deze taak belast is, draagt zorg voor een zorgvuldige procedure en legt een draaiboek aan. In de handleiding staan handvatten voor het aanleggen van een draaiboek (hoofdstuk 8.5).

 

b. Raadplegen AMK(Veilig Thuis) en/of GGD

Het AMK(Veilig Thuis) kan de kinderopvangorganisatie adviseren en ondersteuning bieden. Ook de GGD kan worden geraadpleegd. Voor adressen van de lokale GGD zie de sociale kaart in deze meldcode (onderdeel V).

 

c. Het regelen van opvang voor kind en ouders

  • Voor de ondersteuning voor het kind en de ouders kan een beroep worden gedaan op een instelling als de GGD of het AMK. De GGD is gespecialiseerd in het begeleiden van organisaties bij calamiteiten. In overleg met ouders en GGD en/of AMK(Veilig Thuis), wordt bezien of de opvang in de kinderopvangorganisatie kan worden gecontinueerd dan wel dat er een andere oplossing moet worden geboden.
  • De kinderopvangorganisatie informeert ouders over de mogelijkheid aangifte te doen bij de politie.
  • De directie houdt contact, toont betrokkenheid en informeert de ouders regelmatig over de voortgang van het onderzoek en andere zaken die voor de ouders van belang zijn.
  • De ouders van de overige kinderen moeten geïnformeerd worden. Er kan gekozen worden om kinderen elders onder te brengen. Het AMK(Veilig Thuis) kan worden ingeschakeld voor advies hoe bijvoorbeeld te handelen met de eigen kinderen van de beroepskracht.

 

d. Raadplegen politie

  • De directie laat zich adviseren door de politie. Zo mogelijk na raadpleging van de ouders besluit de kinderopvangorganisatie of eerst een intern onderzoek wordt gedaan of onmiddellijk aangifte wordt gedaan bij de politie. Ouders kunnen natuurlijk ook los van de directie beslissen onmiddellijk aangifte te doen. In het geval van aangifte bij de politie vindt het instellingsonderzoek plaats in nauw overleg met de politie.

 

e. Instellen van een onderzoek

  • De directie stelt direct na de melding een commissie van onderzoek in. De commissie kan bestaan uit 3 personen, twee interne en een extern deskundige bijvoorbeeld van de GGD. De interne personen zouden een leidinggevende en de aandachtsfunctionaris kunnen zijn. De extern deskundige is de voorzitter van de commissie. De leden van de commissie hebben een geheimhoudingsplicht uit hoofde van hun verantwoordelijkheid als lid van de commissie van onderzoek.
  • De commissie vermeldt in het draaiboek vanaf het eerste moment van melding hoe men handelt en heeft gehandeld en wie men op welk tijdstip informeert en heeft geïnformeerd en waarover.
  • De commissie voert het intern onderzoek uit en adviseert de directie op grond van de resultaten van het onderzoek over de te nemen maatregelen.

 

Procedure van onderzoek door commissie

a. De commissie vraagt de ouders de signalen van het kind weer te geven. Het is niet de bedoeling dat de commissie het kind ondervraagt. Het kind dient door een bevoegde deskundige te worden gehoord. Het is belangrijk het AMK(Veilig Thuis), de GGD of de politie hierover om advies te vragen.

b. De onderzoekscommissie hoort de betrokken beroepskracht. De toedracht van zaken volgens de beroepskracht wordt vastgelegd. De beroepskracht wordt geïnformeerd over het verder verloop van de procedure.

c. De commissie voert gesprekken met alle betrokken personen. Op basis van deze eerste gesprekken adviseert de commissie de directie over de te nemen voorlopige maatregelen voor het kind en de beroepskracht, voor zover dit nog niet is gebeurd.

d. Van de gesprekken wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat door de geïnterviewden moet worden goedgekeurd. Ter voorkoming van latere onduidelijkheid is het raadzaam de betrokkenen ter goedkeuring te laten ondertekenen.

e. Alle verslagen worden gebundeld en voorzien van advies, overhandigd aan de directie. Deze informatie is geheim.

 

Naar boven

 

Stap 4: Handelen naar aanleiding van het onderzoek van de politie

 

 

Het onderzoek van de politie kan leiden tot verschillende uitkomsten. Afhankelijk van deze uitkomsten heeft de houder, directie of leidinggevende verschillende mogelijkheden om te handelen.

 

a. Rehabilitatie van beroepskracht6;
b. Waarschuwing afgeven;
c. Arbeidsrechtelijke maatregelen.

 

a. Rehabilitatie beroepskracht
De politie kan op grond van het verrichte onderzoek constateren dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van een geweld- of zedendelict. De betrokken beroepskracht, die voor de duur van het onderzoek geschorst of op non-actief was gesteld, wordt door de houder of directie van de organisatie in zijn functie in ere hersteld. In een dergelijke situatie moeten het belang van de beroepskracht en het algemeen belang worden afgewogen en zou het bijvoorbeeld wenselijk kunnen zijn de betreffende beroepskracht binnen de kinderopvangorganisatie over te plaatsen. Indien na het onderzoek van de politie blijkt dat er een klacht is ingediend op valse gronden, kan de directie de betrokken beroepskracht een rehabilitatietraject aanbieden.
De directie kan dan tevens maatregelen nemen tegen degene, die valselijk een beschuldiging heeft geuit. Dit kan variëren van de eis dat excuses worden aangeboden, tot schorsing of tot verwijdering.

 

b. Waarschuwing afgeven
De houder of directie kan besluiten tot het geven van een schriftelijke waarschuwing, met de mededeling dat herhaling van het ongewenste gedrag arbeidsrechtelijke gevolgen heeft. Die waarschuwing kan dan worden opgenomen in het personeelsdossier.

 

c. Arbeidsrechtelijke maatregelen
Wanneer de houder of directie constateert dat op grond van het verrichte onderzoek van de politie aanleiding is om aan te nemen dat kindermishandeling heeft plaatsgevonden, neemt de directie maatregelen van arbeidsrechtelijke aard, zoals ontslag wegens een dringende reden op grond van art. 677 en art. 678 boek 7 BW, of ontbinding van de arbeidsovereenkomst via de kantonrechter (art. 685 boek 7 BW). In het geval dat het een gastouder betreft, dient de overeenkomst tussen het gastouderbureau en de gastouder per direct te worden beëindigd, evenals de
overeenkomst tussen de gastouder en ouder. In geval er een arbeidsovereenkomst bestaat tussen de gastouder en ouder, dan geldt ontslag zoals boven beschreven.
In het geval dat het een vrijwilliger betreft, wordt de samenwerking per direct opgezegd.

 

Alle beslissingen worden zorgvuldig afgewogen en zorgvuldig geregistreerd door de houder of
directie.

 

Naar boven

 

Stap 5: Nazorg bieden en evalueren

 

Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie nazorg biedt aan alle betrokkenen. Ook het evalueren van de genomen stappen is belangrijk om in mogelijke toekomstige situaties adequaat te kunnen handelen.

 

Nazorg

Nazorg aan betrokken ouders en hun kinderen kan geboden worden door middel van ouderavonden, het uitnodigen van deskundigen daarbij of specifieke doorverwijzing. De kinderopvangorganisatie kan zich hier in laten adviseren door de GGD. Zie hiervoor hoofdstuk 7.5 uit de handleiding. Voor de kinderen kan als dit nodig is, of als de ouders van de kinderen dit nodig achten extra hulp worden ingezet.

Het is belangrijk om bijzondere aandacht te hebben voor de psychische belasting van de overige beroepskrachten naar aanleiding van bovenstaand traject. Wanneer er getuigen zijn onder de beroepskrachten kan met hen apart worden besproken wat nodig is om het gebeurde te verwerken. Bij hen kunnen gevoelens van onmacht, verdriet, schaamte en schuldgevoel een rol spelen. Andere beroepskrachten kunnen ook kampen met deze gevoelens. Hier kan aandacht aan worden besteed in de teamoverleggen en daar waar nodig ook individueel.

 

Als binnen een kinderopvangorganisatie een incident plaatsvindt, is de kans groot dat ook de media hier van op de hoogte raken. Het is verstandig van tevoren zorgvuldig te overwegen hoe er wordt omgegaan met de pers (zie bijlage 6 van de handleiding).

 

Evalueren

Het is belangrijk het gehele proces en de verschillende stappen te evalueren. Dit is de verantwoordelijkheid van directie.

  • De directeur evalueert met de commissie van onderzoek dat wat er gebeurd is en de procedures die zijn gevolgd.
  • Zo nodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen.
  • Zo nodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
  • Geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard.
  • Blijf alert op signalen. Mogelijk zijn er meer slachtoffers.

 

Naar boven

 


 

III. Route bij signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling

 

Stap 1: In kaart brengen van signalen

De beroepskracht:

  • observeert;
  • raadpleegt signalenlijst (bijlage 1 en 2 uit de handleiding);
  • bespreekt signalen met collega’s en de leidinggevende;
  • registreert.

 

Stap 2: Melden van het gedrag bij leidinggevende

De beroepskracht:

  • meldt het gedrag bij leidinggevende;
  • brengt de ouders van de betrokken kinderen op de hoogte.

 

Stap 3: Beoordelen ernst van het gedrag

De leidinggevende:

  • raadpleegt het AMK(Veilig Thuis) en/of GGD;
  • gaat in gesprek met ouders van zowel het kind dat gedrag vertoont als met de ouders van de kinderen die met het gedrag geconfronteerd worden over het gedrag;
  • taxeert de ernst van het gedrag:
  • licht seksueel grensoverschrijdend gedrag: bespreken in het team, inschakelen externe hulp niet nodig;
  • matig seksueel grensoverschrijdend gedrag: waarschuwing, inschakelen hulp;
  • ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag: direct ingrijpen vereist, maatregelen conform stap 4;
  • registreert in het kinddossier.

 

Stap 4: Maatregelen nemen

De directie:

  • stelt een intern onderzoek in;
  • schakelt experts in zoals GGD en AMK(Veilig Thuis);
  • organiseert zorg voor kinderen en ouders;
  • gaat in gesprek met ouders van kind dat gedrag vertoont én met de ouders van kinderen die geconfronteerd werden met het gedrag over de te nemen maatregelen.

 

Stap 5: Handelen

De directie:

  • beslist naar aanleiding van het onderzoek over de opvang van het kind dat het gedrag heeft vertoond.

 

Stap 6: Nazorg bieden en evalueren

De directie:

  • biedt nazorg voor ouders, kinderen en beroepskrachten;
  • organiseert ouderavonden;
  • verwijst door naar externe hulp;
  • evalueert de procedures en registreert.

 

Naar boven

 

Stap 1: In kaart brengen van signalen

 

Wanneer er signalen zijn dat een kind of meerdere kinderen seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben vertoond en dat een ander kind hier mee geconfronteerd is of slachtoffer van is geworden, is het belangrijk dat deze signalen in kaart worden gebracht en goed geïnterpreteerd worden. Soms zal iets vrij duidelijk zijn aan te merken als ontoelaatbare handeling, maar vaker zal het gaan om minder duidelijke signalen die niet direct te duiden zijn.

 

Het is belangrijk om deze signalen serieus te nemen. De beroepskrachten kunnen met elkaar onderzoeken wat zij bij de kinderen merken. Door met collega’s te overleggen en van gedachten te wisselen, kan een signaal beter worden beoordeeld. De volgende acties kunnen helpen de signalen te onderbouwen:

 

-Raadpleeg de signalenlijst uit de handleiding (zie bijlage 1 en 2).

-Bespreek de signalen met collega’s of de bemiddelingswerker, aandachtsfunctionaris, leidinggevende of gedragswetenschapper.

-Vraag een gesprek aan met de leidinggevende.

 

Leg de mogelijke signalen vast in het kinddossier. Zie hiervoor in de handleiding hoofdstuk 8.5. Als de beroepskracht vervolgens twijfelt of concludeert dat er sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan is het belangrijk dit te melden bij de leidinggevende conform stap 2.

 

Naar boven

 

Stap 2: Melden van het gedrag

 

Wanneer de beroepskracht signalen heeft dat een kind of meerdere kinderen seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben vertoond en dat een ander kind hiermee geconfronteerd is of slachtoffer van is geworden, dan is het belangrijk dit te melden bij de leidinggevende.

 

De ouders van de kinderen die het gedrag vertonen of ermee zijn geconfronteerd moeten op de hoogte worden gebracht. Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert in een kinddossier (zie hoofdstuk 8.5 uit de handleiding). Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen, dienen schriftelijk te worden vastgelegd.

 

Naar boven

 

Stap 3: Beoordelen ernst van het gedrag

 

De leidinggevende is in overleg met de directie verantwoordelijk voor een eerste beoordeling van de voorgelegde situatie. Daarbij zal in het algemeen de beroepskracht die het gedrag heeft gemeld, gehoord worden en eventueel collega’s. Ook het AMK(Veilig Thuis), CJG, ZAT of de GGD kan hiervoor worden ingeschakeld. Hierbij wordt de ernst van het gedrag bepaald.

 

Wanneer wordt geconstateerd dat er geen sprake is van leeftijdsadequaat gezond gedrag, wordt gecategoriseerd hoe ernstig het gedrag is. Bij alle vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag dienen de ouders van zowel het kind dat het gedrag vertoont als het kind dat met het gedrag is geconfronteerd, te worden geïnformeerd. Daarnaast dient bij alle vormen gekeken te worden of het seksueel overschrijdende gedrag een signaal is van onderliggende problematiek.

 

Er kan geconstateerd worden dat er sprake is van:

  • licht seksueel grensoverschrijdend gedrag;
  • matig seksueel grensoverschrijdend gedrag;
  • ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag.

 

Licht seksueel grensoverschrijdend gedrag kan worden gezien als een noodzakelijke stap om normen en waarden te leren kennen en zal bij veel kinderen op bepaalde momenten in de ontwikkeling voorkomen. Het is nodig dat de beroepskracht dit gedrag begrenst, hierop reageert en bespreekt met ouders.

 

Matig seksueel grensoverschrijdend gedrag is ontoelaatbaar; het is belangrijk om een duidelijk verbod in te stellen. Aan het kind moet uitgelegd worden dat dit gedrag niet mag en er moet worden uitgelegd waarom dit niet mag. De betrokken kinderen kunnen in de groep geobserveerd worden. Belangrijk is dat er met de kinderen gecommuniceerd blijft worden en dat ouders actief betrokken worden. De leidinggevende overlegt met het AMK(Veilig Thuis) of een gedragswetenschapper of externe hulpverlening of advies noodzakelijk is.

Ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag vereist dat er direct wordt ingegrepen. Er moeten maatregelen genomen worden die kunnen garanderen dat het gedrag niet meer kan voorvallen. De directie dient ingelicht te worden om verdere stappen te kunnen ondernemen, ook omdat de directie eindverantwoordelijk is voor alle interne en externe communicatie. Bij ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag dient stap 4 te worden ingezet.

 

Ook voor deze stap geldt, dat alle signalen en stappen goed vastgelegd worden in het kinddossier.

 

Naar boven

 

Stap 4: Maatregelen nemen

 

De directie bepaalt welke maatregelen genomen moeten worden wanneer er sprake is van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag.

 

De volgende maatregelen kunnen worden genomen:

 

a. Het instellen van een intern onderzoek. Het is belangrijk nauw samen te werken met expertorganisaties zoals het AMK, het zorgadviesteam en de GGD. Bij ernstige zaken is het aan te bevelen een onderzoeksteam te vormen waar vertegenwoordigers van de kinderopvangorganisatie en externe deskundigen deel van kunnen uitmaken. Dit onderzoeksteam kan het incident onderzoeken en de directie advies geven hoe te handelen. Het aanleggen van een draaiboek kan structuur bieden bij de uitvoer van het onderzoek. In de handleiding staan handvatten voor het aanleggen van een draaiboek (hoofdstuk 8.5).

 

b. Het regelen van ondersteuning van het kind en ouders.

 

c. Aanbieden van excuses voor falend toezicht/onveilige situatie vanuit de kinderopvang. Hierbij wordt tevens aangegeven dat onderzocht wordt hoe verbeteringen binnen de kinderopvangorganisatie kunnen worden doorgevoerd om mogelijke herhaling te voorkomen.

 

d. Aanbieden van opvang en professionele hulp voor alle kinderen en hun ouders die op welke wijze dan ook betrokken zijn geweest bij het grensoverschrijdende seksuele gedrag. Emotionele begeleiding van de direct betrokken ouders is noodzakelijk.

 

e. Indien een kind seksueel grensoverschrijdende handelingen heeft uitgevoerd bij een ander kind dan is het belangrijk gesprekken te voeren met beide partijen ouders en gezamenlijk te komen tot oplossingen. Creëer van beide partijen ouders 'bezorgde ouders' en zoek naar een gezamenlijk belang. De kinderopvangorganisatie vertegenwoordigt de belangen van alle kinderen. Dat kan betekenen dat de kinderopvangorganisatie beslissingen neemt die één van beide partijen niet zint. De kinderopvangorganisatie kan tegen het volgende dilemma oplopen: gaat een kind van de kinderopvang af of niet? En is dat op basis van een besluit van de kinderopvangorganisatie of van de ouders (opzeggen plaatsingsovereenkomst)? Belangrijk is de ouders altijd te informeren over de gemaakte keuze en deze te beargumenteren.

 

f. Afscherming van het kind dat het grensoverschrijdende gedrag heeft vertoond.

 

De leidinggevende en/of directeur draagt zorg voor een zorgvuldige procedure en registreert dit in het betreffende dossier.

 

Naar boven

 

Stap 5: Handelen

 

De beoordeling van het incident en het advies uit het (eventuele) interne onderzoek kunnen leiden tot verschillende uitkomsten. Afhankelijk van deze uitkomsten heeft de directie verschillende mogelijkheden om te handelen richting het kind dat het seksueel grensoverschrijdende gedrag heeft vertoond.

a. Het kind blijft op de groep;

b. Het kind gaat naar een andere groep, andere locatie of andere kinderopvangorganisatie;

c. Het inzetten van hulp; d. Melding bij het AMK(Veilig Thuis).

 

a. Het kind blijft op de groep Wanneer de directie constateert dat op grond van het verrichte onderzoek geen aanleiding is aan te nemen dat het gedrag zich zal herhalen of dat de aanwezigheid van het kind bedreigend is voor andere kinderen kan, in overleg met betrokken ouders, besloten worden het kind binnen de betreffende groep van de kinderopvangorganisatie te laten.

b. Het kind gaat naar een andere groep of kinderopvangorganisatie De directie kan besluiten dat het in het belang is van het kind en/of de kinderen die met het gedrag geconfronteerd zijn, dat het kind naar een andere groep binnen de betreffende kinderopvangorganisatie, naar een andere locatie of naar een geheel andere kinderopvangorganisatie gaat. De directie kan hierin de ouders adviseren en eventueel contact opnemen met een andere kinderopvangorganisatie. Ook kunnen ouders zelf de conclusie trekken dat hun kind naar een andere locatie of kinderopvangorganisatie gaat.

c. Het inzetten van hulp Met advies van het AMK(Veilig Thuis) en in overleg met de ouders kan hulpverlening voor het kind worden ingezet.

d. Melding bij het AMK De directie doet een melding bij het AMK(Veilig Thuis). Het gedrag van het kind kan namelijk ook op andere problematiek wijzen.

 

Naar boven

 

Stap 6: Nazorg bieden en evalueren

 

Aanbevolen wordt het personeel persoonlijk te informeren. Daarnaast kunnen alle betrokkenen zo spoedig mogelijk over het seksueel overschrijdende gedrag op de hoogte worden gebracht middels een brief of een gezamenlijke (ouder)bijeenkomst. De directeur is verantwoordelijk voor de nazorg en de evaluatie.

 

Er kan informatie worden gegeven over de concrete maatregelen die getroffen zijn ten aanzien van het kind of de kinderen die met het gedrag geconfronteerd werden. Ook kan aangegeven worden welke concrete maatregelen er ten aan zien van het kind dat het gedrag vertoonde genomen zijn en het verdere verloop van het onderzoek.

 

Als bij een kinderopvangorganisatie een incident plaatsvindt, is er een kans dat ook de media hiervan op de hoogte raken. Het is verstandig van tevoren zorgvuldig te overwegen hoe hiermee zal worden omgegaan (zie bijlage 6 van de handleiding).

 

Het is belangrijk het gehele proces en de verschillende stappen te evalueren.

  • De directeur evalueert met beroepskrachten en eventueel andere betrokkenen wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd.
  • Zo nodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen.
  • Zo nodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
  • Geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het seksueel grensoverschrijdend gedrag worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard.

 

Naar boven


 

IV. Verantwoordelijkheden in het scheppen van randvoorwaarden voor een veilig werk- en meldklimaat

 

Om het voor beroepskrachten mogelijk te maken in een veilig werkklimaat huiselijk geweld en kindermishandeling te signaleren en de stappen van de meldcode te kunnen zetten, draagt thuis-in-opvang.nl er zorg voor dat:

 

de directie:

  -de meldcode opneemt in het veiligheids- of gezondheidsbeleid van de kinderopvangorganisatie;

  -een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling (mogelijk de direct leidinggevende of

   bemiddelingsmedewerker) aanstelt;

  -de deskundigheidsbevordering opneemt in het scholingsplan;

  -regelmatig trainingen en andere vormen van deskundigheidsbevordering aanbiedt aan beroepskrachten,

   zodat zij voldoende kennis en vaardigheden
   ontwikkelen en ook op peil houden voor het signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor

   het zetten van de stappen van de meldcode;

  -de meldcode en bijbehorende routes laat aansluiten op de werkprocessen binnen de kinderopvangorganisatie;

  -ervoor zorgt dat er voldoende deskundigen intern en extern beschikbaar zijn om de beroepskrachten te kunnen

   ondersteunen bij het signaleren en het
   zetten van de stappen van de meldcode;

  -de werking van de meldcode regelmatig evalueert en zo nodig acties in gang zet om de toepassing van de meldcode

   te optimaliseren;

  -binnen de kinderopvangorganisatie en in de kring van ouders bekendheid geeft aan het doel en de inhoud 

   van de meldcode;

  -afspraken maakt over de wijze waarop thuis-in-opvang.nl haar beroepskrachten zal ondersteunen als zij door ouders

   in of buiten rechte worden   aangesproken op de wijze waarop zij de meldcode toepassen;

  -afspraken maakt over de wijze waarop thuis-in-opvang.nl de verantwoordelijkheid opschaalt indien de signalering en

   verwijzing voor een kind stagneert;
  -eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de meldcode;

  -investeert in de opleidingen voor aankomend beroepsbeoefenaren: zorgt voor kennis en vaardigheden inzake het

   herkennen van en omgaan met een vermoeden van seksueel misbruik, waarbij de ontwikkeling van de seksualiteit

   van kinderen en het bespreekbaar maken van de eigen normen en waarden aan de orde komt;

  -investeert in nascholing van zittend personeel in de kinderopvangorganisatie (staf/management en beroepskrachten):

   zorgt voor kennis en vaardigheden inzake het herkennen van en omgaan met een vermoeden van seksueel misbruik,

   waarbij de ontwikkeling van de seksualiteit van kinderen en het bespreekbaar maken van de eigen normen en waarden

   aan de orde komt;

  -investeert in een open aanspreekcultuur binnen kinderopvangorganisaties: zorgt voor een open cultuur waarbinnen op

   professionele wijze reflectie op normen en waarden, werkwijze en handelen plaatsvindt;

  -investeert in een goede ‘zorgstructuur’ binnen kinderopvangorganisaties: zorgt voor voldoende lucht in teams,

   vertrouwenspersonen, vertrouwenscommissie, structurele agendering, bij- en nascholing, etc.

 

de direct leidinggevende / bemiddelingswerker / senior pedagogisch medewerker:

 
  -als aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling is aangesteld;

  -als vraagbaak functioneert binnen de kinderopvangorganisatie voor algemene informatie over (de meldcode) kindermishandeling;

  -signalen herkent die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld;

  -kennis heeft van de stappen volgens de meldcode;

  -taken vaststelt van een ieder (wie doet wat wanneer) en deze in de meldcode vastlegt;

  -de sociale kaart in de meldcode invult;

  -deelneemt aan het zorgadviesteam (indien dit beschikbaar is);

  -de aansluiting van de meldcode op de werkprocessen uitvoert;

  -de aansluiting van de meldcode op de zorgstructuur uitvoert;

  -samenwerkingsafspraken vastlegt met ketenpartners;

  -de uitvoering van de meldcode coördineert bij een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling;

  -waakt over de veiligheid van het kind bij het nemen van beslissingen;

  -zo nodig contact opneemt met het AMK(Veilig Thuis) voor advies of melding;

  -de genomen stappen evalueert met betrokkenen;

  -toeziet op zorgvuldige omgang met de privacy van het betreffende gezin;

  -toeziet op dossiervorming en verslaglegging.

 

de beroepskracht:


  -signalen herkent die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld;

  -overlegt met de direct leidinggevende of bemiddelingsmedewerker bij zorg over een kind aan de hand van

   waargenomen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld;

  -afspraken uitvoert die zijn voortgekomen uit het overleg met de direct leidinggevende of bemiddelingsmedewerker,

   zoals observeren of een gesprek met de ouder;

  -de resultaten bespreekt van deze ondernomen stappen met de direct leidinggevende of bemiddelingsmedewerker.

 

de directie, de leidinggevende en de beroepskrachten zijn niet verantwoordelijk voor:


  -het vaststellen of er al dan niet sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld;

  -het verlenen van professionele hulp aan ouder of kind (begeleiding).

 

Naar boven


 

Sociale kaart

 

 

Organisatie

telefoonnummer

Politie bij noodsituaties

112

Organisatie

telefoonnummer

Crisisdienst Regionale Bureau Jeugdzorg  bij noodsituaties (in regio)

058-2333777

Organisatie

telefoonnummer

telefoonnummer

AMK (Veilig Thuis) (in regio)

zie:www.vooreenveiligthuis.nl

AMK (Veilig Thuis): 0800-2000

Organisatie

Telefoonnummer

adres

Algemeen Maatschappelijk Werk(AMW)(in regio)

0512-586878 Tramlaan 5, 9201HW Drachten zie: www.smwf.nl

058-2932400 Pelikaanstraat 1E, 8916AD Leeuwarden zie: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Organisatie

Telefoonnummer

adres

BJZ Bureau Jeugdzorg Friesland (in regio)

058-2333777

Tesselschadestraat 2, 8913HB Leeuwarden zie:www.bjzfriesland.nl

De kindertelefoon, het AMK, de jeugdreclassering en de

jeugdbescherming maken deel uit van Bureau Jeugdzorg Friesland.

Organisatie

Telefoonnummer

adres

GGD fryslân Gezondheidsdienst (in regio)

088-2299222

Harlingertrekweg 58, 8901BK Leeuwarden zie: www.ggdfryslan.nl

Afdeling GVO (gezondheidsvoorlichting   en-opvoeding)

Organisatie

Telefoon

JGZ Jeugdgezondheidszorg  zie: www.jeugdgezondszorg.nl

088-2299444

Organisatie

telefoon

GGZ regio Leeuwarden

058-2848888 zie: www.ggz.nl

Organisatie

Telefoon

Adres

Politie Friesland afdeling Jeugd en Zeden

0900-8844

Postbus 269, 8901 BB Leeuwarden zie: www.politie.nl/Friesland

Organisatie

telefoon

Steunpunt Huiselijk Geweld (in regio) Advies- en Steunpunt Huiselijk

Geweld Fryslan

0900-5675678 (5ct p.m.) zie: www.huiselijkgeweldfryslan.nl

Organisatie

Telefoon

adres

Zorgadviesteam Het Landelijk Steunpunt ‘ZAT’ voor vragen en advies

030-2306481 zie: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Postbus 19221, 3501 DE Utrecht

Organisatie

Telefoon

adres

Centrum voor Jeugd en Gezin(CJG) (gemeentelijk of regio)

0900-254 1 254

Oldehoofsterkerkhof 2, 8911 DH Leeuwarden.

Het Centrum voor Jeugd en Gezin Leeuwarden is een samenwerkingsverband tussen alleorganisaties die met kinderen en jongeren werken. Bij deze organisaties kunt u ook terecht met uw vragen, b.v. bij de pedagogisch mede- werker kinderopvang, peuterspeelzaalleidster,de leerkracht, de verpleegkundige op het consultatiebureau of de jongerenwerker. Deze beroepskrachten zijn verbonden aan het Centrum voor Jeugd en Gezin. Zij zorgen ervoor dat u het antwoord of de hulp krijgt die passend is bij uw situatie of vraag.

Organisatie

Telefoon

adres

GGZ in de Bres Drachten

0512-584070 zie: www.indebres.nl

Zonnedauw 5, 9202 PE Drachten

Geestelijke GezondheidsZorg op christelijke grondslag

Organisatie

Adres

Bethel Gemeente

De Bolder 75, 9206 AP Drachten zie:Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

S.O.S.Kids is een emailcontact voor kinderen in de basisschool leeftijd. Via dit emailadres mogen kinderen vragen stellen, hulp vragen of bekend maken als ze zich ergens zorgen over maken en ze graag met iemand willen praten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Naar boven 

 

Copyright © 2011 Brancheorganisatie Kinderopvang Deze informatie mag met bronvermelding worden gebruikt.

Registratiesysteem

login

Certificaat samenwerken aan kwaliteit 2016

Gastouder gezocht?

Bent u op zoek naar een gastouder bij u in de buurt?

Of misschien voor aan huis?
Kijk dan nu op onze gastoudermarktplaats!

gastoudergezocht

Aan de hand van de zoekoptie kunt u gemakkelijk zien of er bij u in de buurt een beschikbare gastouder is.

sbb

brancheorganisatie